Klimaat en Energie / Energietransitie: nut en noodzaak

We willen een schone wereld achterlaten voor onze kinderen en kleinkinderen. In het kort en heel simpel is dat waar het om gaat. We willen niet dat ze later tegen ons zeggen: ‘Maar je wist toch dat dit kon gebeuren. Waarom heb je toen niets gedaan?’

De wereld waarin we leven, verandert. Het wordt warmer op de aarde. Elke jaar breken we nieuwe records, met de droogste zomer, de warmste winter of de natste maand.

Lekker toch, kun je denken. Maar die opwarming heeft gevolgen waar je minder blij van wordt. Het water in de zeeën en rivieren wordt warmer en stijgt. Er zijn steeds meer periodes met heftige neerslag, stormen en overstromingen. En we hebben steeds meer te maken met extreem warm weer en droogte. Je merkt dat nu al in Nederland: zwaardere buiten, grote wateroverlast, hetere zomers. Dat is bijvoorbeeld slecht voor de landbouw.

En daarmee voor onze voedselvoorziening.

We ervaren de veranderingen maar het valt hier relatief nog mee. . Maar in andere gebieden op de wereld, die overstromen, of juist uitdrogen, komen mensen in de problemen. Ze raken hun huizen kwijt en krijgen gebrek aan voedsel en water. Er ontstaan spanningen, die kunnen leiden tot oorlogen. En zo tot meer (klimaat-)vluchtelingen. De oorlogen in het Midden-Oosten hebben bijvoorbeeld veel te maken met de uitdroging van het land.

Wat betekent die klimaatverandering nu voor Nederland? We zijn een rijk en ontwikkeld land. We kunnen ons aanpassen. We weten van oudsher hoe we met weer en wind, water en land, moeten omgaan. We hebben Nederland ten slotte gevormd in een delta(?). Dat aanpassen en oplossingen bedenken, dat zit in ons.

We nemen maatregelen. Die moeten zorgen dat de opwarming in ieder geval langzamer gaat. En beter nog: wordt gestopt. Dat doen we in Nederland, maar uiteraard ook internationaal. Op 12 december 2015 maakten de leiders van alle 195 landen op aarde afspraken in Parijs. De belangrijkste is dat we met z’n allen moeten gaan zorgen dat het in 2100 niet meer dan 1,5 graden warmer is geworden dan in de periode tussen 1850 en 1900.

Hoe komt het precies dat de aarde opwarmt? Wetenschappers doen daar al lang onderzoek naar. Ten dele gaat de natuur haar eigen gang. Een vulkaanuitbarsting in een tropisch land kan grote delen van de wereld koeler maken. De ene periode is de zon actiever dan de andere. En dat heeft gevolgen voor het klimaat op aarde.

Maar het is nu ook duidelijk dat de opwarming van de laatste 60 jaar vooral wordt veroorzaakt door onszelf. De uitlaatgassen van onze auto’s, brommers en vliegtuigen, de uitstoot van onze fabrieken, de manier waarop we huizen bouwen en voedsel produceren - ze zorgen dat er te veel broeikasgassen in de lucht komen - gassen die de lucht vervuilen en het op aarde steeds warmer maken. Je merkt daar nu nog niet zoveel van. Toch mag je met recht zeggen dat wij als aardbewoners bezig zijn onszelf langzaam te verstikken. En dat vooral de generaties na ons hier grote last van gaan krijgen. Tenzij we nu onze verantwoordelijkheid nemen en ingrijpen.

Het belangrijkste broeikasgas is CO2, oftewel kooldioxide. De belangrijkste maatregel is zorgen dat er minder CO2 in de lucht terecht komt. Veel CO2-uitstoot wordt veroorzaakt door het soort energie dat we gebruiken. We halen die energie nu nog voornamelijk uit fossiele brandstoffen – stoffen die we uit de aarde halen: olie, kolen, gas. Om er energie van te maken, moet je ze verbranden. En daar komt die vervuilende CO2 bij vrij. Ook veenweidegebieden dragen bij aan de uitstoot van CO2. In combinatie met een lage waterpeil droogt het veen waardoor CO2 vrijkomt. Tenslotte zorgen ook varkens en koeien voor de uitstoot van methaan, en ander broeikasgas dat ook bijdraagt aan het opwarmen van de aarde.

We kunnen onze energie ook op andere manieren opwekken. Windenergie,  zonne-energie, waterkracht, geothermie, aquathermie, en ook biomassa, zijn op dit moment de schoonste en meest duurzame vormen van energie. Ze zijn onuitputtelijk voorradig en je hoeft ze niet te verbranden.

Om de opwarming van de aarde te stoppen, maken we dan ook – kort gezegd – de overstap van olie, kolen en gas, naar zon en wind. In Parijs hebben we afspraken gemaakt om de omwarming van de aarde tegen te gaan..In 2013 sloten we het Energieakkoord. En  nu werken we als overheid, werkgevers, vakbonden, natuur- en milieuorganisaties, maatschappelijke en financiële instellingen samen aan een Klimaatakkoord. . Hoofddoel: volledig op duurzame energie draaien in 2050.

Dat klinkt nog ver weg. Maar we hebben bepaald niet alle tijd. Op dit moment produceren we ruim XX  procent van onze energie duurzaam. Op weg naar 2050 hebben we ook tussentijdse doelen gesteld. We willen in 2020 op 14 procent duurzaam staan. En in 2023 op 16 procent.

Een andere manier om de opwarming tegen te gaan, is energie besparen. Want: hoe minder energie je gebruikt, des te minder CO2 je produceert. Steeds meer nieuwe gebouwen en huizen zijn dan ook ‘energieneutraal’. Ook bestaande fabriekspanden, scholen, kantoren en woningen worden energieneutraal gemaakt. Dat betekent dat deze gebouwen niet méér energie gebruiken dan ze zelf opwekken. Ze hebben uitstekende isolatie en verbruiken veel minder energie dan oude woningen. Wat ze nog nodig hebben aan energie, wekken ze zelf op met bijvoorbeeld zonnepanelen. Resultaat: 0 op de meter.

Wil je zelf investeren in besparen en je eigen energie opwekken? Dat wordt steeds aantrekkelijker. Voor bedrijven, huiseigenaren, nieuwbouwers en ook voor huurders. In dat laatste geval investeert de eigenaar in duurzaam en gaat daardoor de huur omhoog. Maar de energierekening daalt harder. De overheid maakt dit soort grote investeringen mogelijk. Door regels te versoepelen en subsidies te verstrekken.

Zo staan we met z’n allen op een kantelpunt. Je ziet de overgang naar duurzame energie – de energietransitie – nu echt op gang komen. Energiereuzen als Shell en Exxon luisteren naar beleggers en aandeelhouders die meer duurzame energie eisen. De komende jaren worden er grote windparken aangelegd in de Noordzee. De overheid wordt strenger als bedrijven en instellingen hun afspraken niet nakomen om duurzamer te worden.

Er zijn inmiddels steeds meer energiecoöperaties, die zijn opgericht door inwoners. Met elkaar investeren ze in wind en zon en worden ze zelf steeds meer energieproducent voor derden. En de opbrengsten van deze duurzame energie gebruiken ze vaak weer om te investeren in hun omgeving. Daarnaast groeien de netwerken van bouwers, toeleveranciers, corporaties, gemeentes, geldschieters en netbeheerders. Met elkaar verduurzamen ze honderdduizenden woningen.

De energietransitie is niet alleen goed voor ons milieu, maar ook voor onze economie. De komende zeven jaar komen veel nieuwe banen bij - vooral in de bouw en de techniek.

De transitie zorgt ook voor innovatie. Voor nieuwe technieken, die we niet alleen zelf ontwikkelen en gebruiken. Maar die we ook goed kunnen verkopen in het buitenland.  En dat is weer goed voor ons bedrijfsleven.

Ten slotte: de overgang van fossiel op duurzaam maakt ons zelfvoorzienend. We hoeven geen fossiele brandstoffen meer te importeren uit regio’s die politiek gezien instabiel zijn.

Dat maakt ons als land stabieler en onafhankelijker.

Kleven er dan geen negatieve kanten aan de overgang naar duurzame energie? Toch wel. Bestaande bedrijven in olie, kolen en gas krijgen minder werk of gaan dicht. Vervuilende industrie moet grote investeringen doen in schone energie. We moeten zelf, als individuen en als organisaties, bewuster en zuiniger omgaan met onze energie.

Er komen grote windmolenparken en zonneweiden die onze omgeving nu al ingrijpend veranderen. Bewoners zijn daar lang niet altijd blij. Zeker als overheden en energie-partijen burgers niet laten meedenken en deelnemen in hun projecten of de lusten ten goede laten komen aan de omgeving. Doen ze dat wel, en een energiepark wordt bijvoorbeeld een gedeelde bron van inkomsten, dan verandert weerstand vaak in samenwerking. Zo is de provincie Noord-Brabant bezig met windmolens langs de A16, waarvan de opbrengsten van de windenergie (deels) terug naar de samenleving vloeien.

Een ander probleem is de onoverzichtelijkheid en de onzekerheid. Dat onze manier van leven gaat veranderen is iedereen helder, maar het is vaak onduidelijk wanneer en hoe dan. Er zijn al veel mogelijkheden om te verduurzamen en te besparen. Vaak is er daarvoor subsidie beschikbaar. Of je kunt rekenen op belastingvoordeel. Alleen, in de ene regio gelden andere mogelijkheden dan in de andere. Ook veranderen of verdwijnen regelingen of werken we samen aan nieuwe plannen en is nog niet duidelijk wanneer die plannen ten uitvoer komen. Dat maakt het lastig om te besluiten of je al zou moeten investeren in duurzaam. Juist omdat het vaak meerdere jaren duurt voordat je je investering terugverdient. De overheid is zich hiervan bewust. Daarom nemen  provincies, gemeenten en waterschappen het initiatief voor het opstellen van regionale-energiestrategieën (RES) . In regio’s werken we samen met bedrijfsleven, inwoners, maatschappelijke organisaties en  netbeheerders aan regionale voorstellen voor het duurzaam opwekken van duurzame energie en het gebruik van warmte.  Zo werken we aan draagvlak voor concrete projecten die gebruik maken van de mogelijkheden en kansen in een regio.

De provincie draagt daarnaast ook via haar eigen beleid  actief bij aan het versnellen van de energietransitie met subsidies en regelingen. Zo kan ze zorgen dat de energietransitie aansluit op de regionale economie en kan ze stimuleren dat inwoners zelf actief aan de slag gaan met projecten voor duurzame energie en mobiliteit.  . De overgang naar duurzaam wordt op deze manier niet een moeizame verplichting, maar juist een kansrijke manier om niet alleen de regionale economie te versterken maar ook te werken aan een duurzame energievoorziening. Een mooi voorbeeld is het Gelderse energieakkoord.

Ook op het gebied van een vitaal platteland werken provincies aan het verduurzamen. Denk aan het  stimuleren van een duurzame land-, glas- en tuinbouw. Dat betekent in overleg met agrariërs stimuleren van nieuwe verdienmodellen, het verduurzamen van hun bedrijven en nieuwe technologieën. Ook hier staat het benutten van regionale en lokale  kansen voorop. Denk aan de regeling om asbestdaken te vervangen door zonnepanelen. Maar ook het gebruik van bv overtollige warmte voor het verwarmen van kassen en het produceren van streekeigen voedsel voor de lokale markt.

En dan is er nog de, zoals dat heet, ruimtelijke inpassing. De provincie bepaalt in hoge mate waar bijvoorbeeld dat nieuwe windpark of die zonneweide komt. En dat moet ze natuurlijk doen door rekening te houden met de belangen van iedereen. Of het nu om een pionierend energiebedrijf gaat of een groep bewoners die vreest voor horizonvervuiling. 

Zo is de provincie onderdeel van het enorme project dat de energietransitie is. Groter en mooier is welbeschouwd niet denkbaar. En, met 2050 als voorlopig einddoel, langduriger ook niet. We staan aan het begin van de grote verbouwing naar een wereld die duurzamer, schoner, stabieler en veiliger is. Zodat we later kunnen zeggen: ‘Ja, we wisten wat er op het spel stond. Gelukkig hebben we toen gehandeld’.

Wil je weten wat jouw provincie voor jou of jouw organisatie kan betekenen als het gaat om besparen en overstappen op duurzaam? Ga naar de website van jouw provincie.       

Wil je weten wat jouw provincie voor jou of jouw organisatie kan betekenen als het gaat om besparen en overstappen op duurzaam? Ga naar de website van jouw provincie.